donderdag 16 februari 2017

Kiek zelf maar!

Leiden heeft niet alleen een eigen fotofestival en een stadsfotograaf maar staat ook bekend om haar rijke fotografiegeschiedenis. Want in 1839, 15 jaar na de uitvinding van de fotografie, kwam zij al naar Leiden. “Het is net de stad van nu, alleen stiller en kleurloos,” schrijft Leijerzapf in haar boek over die pionier fotografen. “Leiden geeft hetzelfde beeld als  elke doorsnee stad, met één grote uitzondering: Kiek.”

Hoe hij in de fotografie terecht kwam weet niemand, maar Israël Kiek had wel meer beroepen beoefend, zoals koopman, slager of sigarenhandelaar. Van zijn twaalf kinderen bleven negen in leven. In zo’n kinderrijk gezin lijkt iedere bron van inkomsten welkom. Fotografie zag er veelbelovend uit. Waar hij zijn atelier begon is onbekend, later liet hij even buiten de rijnsburgerpoort een houten atelier bouwen van wat origineel een afgedankte kermiskraam zou zijn geweest. Het was een familiezaak, waar vader zijn zonen als ze 20 werden leerde fotograferen. Alle vijf zijn zonen waren voor korte of langere tijd fotograaf. Maar zodra ze de techniek onder de knie hadden, konden ze vertrekken: hun vader duldde geen concurrentie. De jongste zoon Gabriel belandde zelfs in Parijs, en begon daar zijn atelier. ‘Den ouden Kiek’ bleef in Leiden en fotografeerde tot zijn 81ste. Hij stierf zeven jaar later, midden in mei nét voor de eeuwwisseling en werd net als zijn vrouw begraven op de Joodse begraafplaats in Katwijk.

Maar we zijn Kiek zeker niet vergeten. Want een ‘snapshot’ heet bij ons een ‘kiekje’, net als in het Fries, Vlaams en Afrikaans. Dat is niet afgeleid van ‘kijken’ maar van deze Leidse fotograaf, die het twijfelachtige voorrecht had om studentfotograaf te zijn. Want al in 1900 schreef een journaliste in de Asser Courant: “Kiekjes zijn er pas sinds de Leidse studenten”. Want wat is er nou leuker dan ‘s ochtends bij de eerste schemering nog half aangeschoten van het uitgaan op de foto met je vrienden? Oud Leidenaar H. Burger schrijft hierover in 1947: “De meeste leden van het gezelschap waren langzamerhand verdwenen en slechts een klein gedeelte wist het tot Kiek te brengen. Doorfuiven ter wille van het kiekje, waarop de helft zat te slapen.” Maar dan moest de fotograaf wél wakker zijn, of beter gezegd; wakker worden. Burger schrijft: “Om gefotografeerd te kunnen worden moest eerst Kiek door groot lawaai uit de slaap worden gewekt: bonzen op zijn deur en schreeuwen, vaak met onheuse uitdrukkingen en scheldwoorden aan het adres van de oproepende. Ja, dat was nu eenmaal zo.” Maar uiteindelijk verscheen hij dan, “al pruttelend en zachtjes terug scheldend” om het gezelschap op de foto te zetten. Écht lastige klanten werden geweigerd, waarvoor hij speciaal een ophaalbrug liet aanleggen.

In het tijdschrift ‘Op de Hoogte’ schreef een Leidenaar in 1910 over zijn herinneringen aan Kiek. “De photografie was in de dagen nog niet zoover gevorderd”. Het maken van een foto duurde enkele seconden tot wel een halve minuut. “Geen wonder dus, dat menig kiekje, hoe aardig bedoeld , als men het thuis kreeg een teleurstelling opleverde.” En ondanks dat hij volgens de notulen van Minerva altijd riep “Toe heeren, nou even stil gestaan”, was standaard iedereen bewogen en meestal nauwelijks te herkennen.

Maar ach - “het lag volstrekt niet in de bedoeling een gewoon portret te laten maken; daarvoor was men op dat vroege morgenuur niet bij Kiek gekomen.” Of zoals Burger zich herinnerd: “Waren het honderd tellen, dan liet soms een grappenmaker zich kieken met twee hoofden, vijftig tellen het hoofd op de rechterschouder, vijftig tellen op de linker.

Waarschijnlijk waren studenten zijn beste klanten, bijna al zijn kiekjes werden gemaakt in de vroege ochtenduren. “Waarschijnlijk wilde hij zijn naam liever niet verbinden aan die malle portretten die hij in het halfduister bij de slechte verlichting moest maken en dus nooit goed van kwaliteit konden zijn.” schrijft Leijerzapf in haar boek over Kiek. Maar al snel werden de rommelige, vaak onscherpe foto’s ‘kiekjes’ genoemd. Pas met een kiekje hoorde je erbij, of zoals Burger schreef: “Men moest in zijn Leidse studentenjaren bij Kiek zijn geweest!”

Maar Kiek en zijn fotozaak zijn er niet meer. Toch heeft hij niet alleen in onze taal maar ook in onze stad duidelijke sporen achtergelaten. Zo loopt er een Kiekpad bij molen de Valk, waar aan de overkant zijn atelier stond. Het kunstenaarsduo Beierle & Keijser plaatste hier in 2001 het ‘Kiek-monument’: een in roestvrijstaal uitgevoerde camera op een driepoot. Door de zoeker kijkend zie je verschillende kiekjes voorbij komen. Maar de échte kiekjes van de oude meester Kiek zijn in een kleine tentoonstelling in het Van der Werff Café permanent te zien. Wil je daar een foto van maken? Laat dan je camera thuis en gebruikte je telefoon. De iPhone is tegenwoordig de meest gebruikte camera, maar écht een camera kan je het niet noemen natuurlijk. “Jaren achteren is Kiek de enige ter wereld geweest, die kiekte.” schreef Burger, “Thans kiekt iedereen.”

Geschreven ter ere van de actie van de 'Plaatselijke Kamer van Verenigingen Leiden' als nominatie voor het straatbordje 'Kiekpad'.





zondag 4 december 2016

Eerste klas natuur

Toen ik in Leiden ging studeren en toen ik begon met duiken:  het zijn van die momenten in je leven dat er een nieuwe wereld voor je open gaat. Zo ook bij mijn laatste reis naar Londen. Toen ik daarvoor een treinkaartje bestelde, bleek plots dat de 1ste klas goedkoper was dan de 2de. Zo zat ik afgelopen week voor het eerst in de 1ste klas en staarde met grote ogen om me heen. Want in de tweede klas zitten de studenten, de ouders met schreeuwende kinderen en groepjes vrouwen met kortpittig kapsel. Zo niet in de eerste klas: die is voor zakenmensen. Zakenlui die op weg naar hun werk niet naast de studenten willen zitten die de ochtendtrein pakken om naar bed te gaan. Toch zat ik daar als studentje in de 1e klas, ik zat ‘verkeerd’ maar ik had het goede kaartje.
Het zit diep in de aard van de mens om dingen op te delen in groepen zoals 1e en 2de klas. Dat zie je zeker onder biologen. Het schept immers orde in de natuur – die van nature een chaos is. De toren van Naturalis zit met z’n 40 miljoen natuurobjecten propvol. Deze verzameling is dan wel geen trein, toch hebben alle objecten een kaartje. Hierop staat dan ook niet hun bestemming, maar hun afstamming. Taxonomie is de wetenschap die bepaalt in welke groep dieren zitten en jawel, net als in de trein zijn er ook in de biologie ‘klassen’. Zo is er bijvoorbeeld de klasse zoogdieren, die staan in Naturalis allemaal bij elkaar. Een klasse kun je nog weer opsplitsen in ordes, families, genera en dan uiteindelijk soorten. De plek in dat systeem staat voor je verwantschap en evolutionaire afstamming.
De Zweedse bioloog Linneaus was een van de eersten die het als zijn taak zag orde te brengen in de natuur. Niet voor niks staat zijn borstbeeld in de Hortus, want hier in Leiden publiceerde hij in 1735 de eerste versie van zijn opgeruimde natuur. Daarin gebruikte hij al ‘klassen’. Toch is er veel veranderd. Net als een trein is ook de taxonomie steeds in beweging. Zeker dankzij DNA-onderzoek leren we steeds meer. Inzichten veranderen, zo ook de kaartjes bij de objecten en hun plaats in de Naturalis-toren. En voor de zakenlui: wees gerust, deze arme student reist voortaan weer gewoon tweede klas.

Wat een stoelen. Wat een luxe. Wat rood. Wat mooi.

Volg mijn schrijvers-avonturen op Facebook

Of blijf up to date via Twitter @aukeflorian 

Auke-Florian Hiemstra,
Gepubliceerd op 30 november 2016
© copyright "Leidsch Dagblad"

zondag 9 oktober 2016

Laten we gewoon alle dieren beschermen

Vandaag eindigt de CITES conferentie die gaat over de handel in bedreigde dieren. Een maand geleden hadden we al het IUCN congres dat een update maakte van de Rode Lijst. Het beschermen van dieren is actueler dan ooit. Op beide vergaderingen wordt gestemd over het lot van diersoorten. Een mug mag je dood slaan, maar bij een panda mag dat niet. Dat dat zó is en niet andersom volgt uit onderzoek. Om een soort te beschermen is namelijk een schat aan informatie nodig. Hoeveel dieren zijn er nog? Waar zitten die? Hoe voelen ze zich? Alleen als de toestand van een soort volledig in kaart is gebracht, kan de soort, indien nodig, bij het IUCN beschermd worden. Dan staat hij bijvoorbeeld in de categorie ‘kwetsbaar’ of - net wat erger - ‘bedreigd’. Afgelopen congres verschoof de panda van ‘bedreigd’ terug naar ‘kwetsbaar’. Dat betekent dat het weer beter gaat met de beer die pronkt op het logo van het WNF en een iconische status heeft. De rode lijst is een belangrijke lijst, maar alles behalve compleet. Nog nooit immers is er een lijst gemaakt van alle soorten die op onze wereld voorkomen: 80% van de dieren schijnt überhaupt nog onontdekt te zijn. Dan is er nog een flinke groep die we wél kennen, maar vaag. Net als bij je meeste Facebookvrienden zeg maar. Te vaag om ze als ‘beschermd’ te betitelen, maar dat wil niet zeggen dat het goed met ze gaat. Integendeel zelfs, in veel van de kwetsbare groepen komen grote aantallen dieren voor waar we nauwelijks iets van weten omdat we ze nooit zien.  Dus dat gaat niet goed.
Zoals er in de natuurbescherming een tekort aan gegevens is, is er in de medische wereld een tekort aan orgaandonoren. Kort geleden stemde de Tweede Kamer in met een nieuw donorsysteem. Het was dan de bedoeling dat je, als je orgaandonor wilde worden, een formulier invulde, maar het werkte niet. In het nieuwe systeem is iedereen donor, tenzij je een formulier invult dat je dat níet wilt zijn.
Dat principe zou een idee kunnen zijn voor de natuurbescherming. Laten we gewoon alle dieren beschermd maken. Wat mij betreft vandaag nog. En als jij kunt aantonen dat er ergens heel veel van zijn, zoals van die muggen wellicht, dan haal ik ze van de lijst en mag jij ze weer dood slaan. Deal?

Arm beest. Niet genoeg onderzoek naar gedaan dus nu sterft 'ie uit.

Volg mijn schrijvers-avonturen op Facebook en denk mee!


Auke-Florian Hiemstra, @aukeflorian
Gepubliceerd op 5 oktober 2016
© copyright "Leidsch Dagblad"

zondag 11 september 2016

Na het 'breaking news' brak de nieuwslezer zelf

Alsof er bijna gescoord werd, zo zat ik op het puntje van mijn stoel. Maar ik keek geen voetbal, ik keek het journaal. Al voelde het nieuws niet nieuwswaardig. Het wachten was op de laatste minuut van die uitzending. Daarna zou #rikvandewestelaken trending worden op Twitter en zou zijn vertrek als nieuwslezer het gesprek van de dag worden. De laatste minuut van zijn laatste achtuurjournaal. De autocue bleef leeg. Hij keek in de camera en zei zijn gedag.
Zelden is de NOS zelf in het nieuws. Een cameraploeg die belaagd wordt, een live kaping, maar vooral door het afscheid van nieuwslezers. Wie kent Rik van de Westelaken niet? Of Sascha de Boer? Meer dan 15 jaar lazen ze hun nieuwsberichten voor: nieuwe feiten, cijfers en rapporten. Bekwaam en serieus, bij elk kuchje al excuses. Maar net voordat Rik voor het laatst zou zeggen “ik wens u een mooie avond” brak zijn stem. Dat raakte mij. En heel Nederland. Iedereen zou Rik een aai over z’n bol willen geven, een knuffel of een biertje. Er zijn verhalen die wat meer emotie goed kunnen gebruiken, die in het huidige journaal niet goed tot hun recht komen. Cijfers zeggen vaak niet genoeg of zijn de samenvatting van een verhaal dat voor het journaal te groot is. Neem het vluchtelingenprobleem of de klimaatsverandering. Zoveel vluchtende mensen meer. Weer zoveel ijs minder. Zegt het ons nog iets? Over vluchtelingen praten in cijfers is makkelijk. Over vluchtelingen praten in personen is moeilijk. Want wie kent geen verhaal van een anti-vluchtelingengekkie die toen hij daadwerkelijk een vluchteling ontmoette ineens van zijn eigen scheef gegroeide meningen schrok. Of neem Sascha de Boer, die naast nieuwslezer professioneel fotografe is en na haar baan bij de NOS naar de Noordpool reisde om de gevolgen van klimaatsverandering te fotograferen. Als het onderwerp beladen wordt, schakel je in Nederland naar een luchtig onderwerp zoals ‘het weer’. De Boer ontdekte dat stoere noordpooljagers juist bij het gespreksonderwerp ‘weer’ emotioneel worden: “Dit is klimaatsverandering, niet uit de rapporten, maar uit de praktijk”. De foto’s van de Boer zeggen meer dan duizend woorden – al is dat voor het nieuws al te lang. Maar Rik doet geen journaals meer, hij gaat reizen op zoek naar verhalen. En pakt hij die grote verhalen, dan ben ik groot fan.



Gepubliceerd op 7 september 2016
© copyright "Leidsch Dagblad"

zondag 26 juni 2016

Dit spaar je straks bij Albert Heijn

Als bioloog bij de Albert Heijn blijft er weinig te sparen over. Na de ‘dierenplaatjes’ rage zijn nu de dino’s aan de beurt en kan er nog maar één spaaractie volgen. Nu we het vroegere en het recente leven wel hebben gehad kunnen we alleen nog vooruit kijken. Evolutie is het proces dat zorgt voor al deze verschillende dino- en dierenplaatjes. Darwin, de ontdekker van dit principe, formuleerde zijn ideeën in een boek waarin hij het toen nog omstreden woord ‘evolutie’ maar één keer gebruikte. “… these have been, and are being, evolved.” Evolutie gaat altijd door. Zo eindigde het belangrijkste boek ooit.
In een muf tweedehands boekenwinkeltje vond ik eens "Leven na de mens – gids voor de dierenwereld van de toekomst". Een biologische voorspelling van het leven; 50 miljoen jaar verder in de tijd. Auteur Dixon, zelf paleontoloog, maakte niet zomaar fantasiedieren: het zijn variaties op bekende evolutionaire processen enkel extreem doorgetrokken tot bizarre voorspellingen. “Superieur aan de vaak belachelijke monsters,” aldus beroemd bioloog Morris in het voorwoord, “die een goedkoper soort sciencefiction bedenkt”. Vreemde, maar realistisch ogende voorspelsels, waarvan de tekeningen niet zouden misstaan bij een supermarkt plaatjes-actie. In het Museum voor Natuurwetenschappen in Brussel kregen ze een opzetter zo gek ook écht zulke toekomstdieren in elkaar te knutselen! Vanaf het begin van het leven doorloop je alle tijdperken, ziet prachtige fossielen - die beesten van dinoplaatjes - je komt aan bij de recente natuur, je weet wel, die van de dierenplaatjes,  waarna er gewoon nóg een bordje staat, ‘+50 miljoen jaar’. Een unieke kans om een kijkje te nemen in een tijd die nog komen gaat.
Maar hoe die toekomst er eigenlijk uitziet, wordt nog spannend. Niet alleen zijn kinderen dol op fossielen, hun ouders ook: op fossiele brandstoffen – en dat merkt het klimaat. Afgelopen week stierf de eerste zoogdiersoort uit door klimaatsverandering: een rat uit Australië. Het laagliggende eiland waar het dier voorkwam was overspoeld: geen enkele van de beesten is terug gevonden. Een dier zonder toekomst en dit is nog maar het begin. Die gekke toekomstdieren ga ik niet meer meemaken, de gevolgen van klimaatsverandering wel. Klimaatsverandering door de mens is een feit en gebeurt nu. Anders dan een plotselinge meteoriet is ingrijpen mogelijk. Ik zou dus niet graag ruilen met de dino’s, wel wil ik hun plaatjes ruilen: ik zoek de nautilus.

best wel gek die toekomst
Volg mijn schrijvers-avonturen op Facebook en denk mee!

Auke-Florian Hiemstra
Gepubliceerd op 22 juni 2016
© copyright "Leidsch Dagblad"

zaterdag 28 mei 2016

Beestachtig lekker dier dat je bent

Er spoelde laatst een ‘narwal’ aan in België. Een onooglijke kruising tussen een walvis en een eenhoorn. De eerste ooit. Ze zien er niet alleen lomp uit, ook hun oriëntatie is knullig. België ligt immers niet op de Noordpool, de plek waar ze normaal voorkomen. In Nederland was ook al eens zo’n stranding, één keer in 1912. Toen eind april de nieuwe ‘Atlas van Nederlandse Zoogdieren’ uitkwam stond daar dus ook ‘onze’ narwal in: een gouwe ouwe. “Zelfs de narwal staat erin,” zag ik op Twitter,  “maar die 17 miljoen primaten?” In hét boek van alle Nederlandse zoogdieren was die éne diersoort, de mens, de hier in de lage landen toch goed vertegenwoordigde aap, even vergeten.
‘Nederlandsche vogelen’ van Nozeman & Sepp uit 1770 is ons oudste vogelboek. Vorig jaar presenteerde Midas Dekkers daar een herdruk van. “Als er één vogel in een vogelboek thuis hoort dan is het de kip” vertelde Dekkers toen trots. In Nederland zijn meer dan 75 miljoen kippen, ruim meer dan alle andere Nederlandse vogels bij elkaar. Maar toch. “De raarste bekjes, fluitertjes en piepertjes,” zoals Dekkers ze beschrijft, vind je in hedendaagse vogelgidsen, maar de kip? “Die mag niet in zo’n vogelgids.” Bij Nozeman en Sepp mocht dat wel, en zelfs met een lange beschrijving en twee prachtige kopergravures. Het kippenverhaal werd afgesloten met een verwijzing naar het werk van Temminck. Naast dat hij de eerste directeur werd van wat nu Naturalis is, schreef Temminck een dik kippenboek. Uiteraard vind je in Naturalis dus opgezette kippen.
Zo ook is er hier plek voor de mens, hier wel. Tussen alle apen is in Naturalis een klein bankje. Daar omringd door gorilla’s, chimpansees en orang-oetangs, kun je als mens eventjes deel zijn van de collectie en maak je zelf het plaatje compleet. Het besef dat wij een dier zijn – daar niet boven staan, maar gelijk aan zijn – is belangrijk. De natuur heeft ons niet nodig, maar wij de natuur. De mens is als een kip, overweldigend aanwezig, maar schijnbaar toekijkend langs de zijlijn. Hij is kennelijk geen deel van dat om hem heen. Maar juist dat idee, dat wij in die overweldigende biodiversiteit maar één schakeltje zijn, de wereld delen met kippen en narwallen en daar samen wat van moeten maken, dat vind ik mooi.

Onze nationale trots, dé narwal van 1912

Gepubliceerd op 25 mei 2016
© copyright "Leidsch Dagblad"

zaterdag 23 april 2016

Bijzonder gewoon

Het gebeurt zelden dat een niet-aaibaar dier het nieuws haalt. Als een beest dat lukt, dan zit ik op het puntje van mijn stoel, staar ik naar het flikkerende tv-scherm en mag er niet gezapt worden. Dan moet het wel iets heel speciaals zijn. Want nieuws over insecten of weekdieren is lang niet zo nieuwswaardig als dat van een schattig lief beestje, ook al zouden ze ergens kampioen in worden. Maar nu de wereld in paniek is en bang voor terreur, maken ook nieuwszenders andere keuzes. Zo kwam afgelopen week een octopus in de schijnwerpers.
Deze octopus, Inky genaamd, zat in een aquarium van het National Aquarium of New Zealand. Zat: want daar zit hij nu niet meer. Dat is het nieuwtje. Hij ontsnapte op een nacht uit zijn aquarium, kroop enkele meters over de grond en vond een afvoerbuis. Deze vijftig meter lange pijp bracht hem terug naar de oceaan, waaruit hij ooit opgevist was. De NOS had het over ‘The Great Escape’, ‘Prison Break’ en het AD betitelde het dier als een ‘kunstenaar in ontsnappen’. Maar dat klopt niet. Als jij ’s ochtends een boterham met kaas belegt, ben je ook niet ineens een ‘Jamie Oliver’. Ik zal het uitleggen.
De ontsnapping leidde tot een wereldwijde hype en vele interviews met experts, wat leidde tot ongemakkelijke stiltes. Professor Jennifer Mather mocht op de Canadese radio reageren hoe bijzonder de ontsnapping wel niet was. Even was het stil. ‘Ja typisch’ zei ze, ‘typisch octopus gedrag’. Niet het antwoord waarop gehoopt was. Het is niet bijzonder, maar juist bijzonder gewoon.
Er zijn hele studies gedaan naar ‘Octopus Escape Behavior’. Zo verdwenen er in het Engelse Brighton steeds vissen uit een aquarium. De octopus die een paar aquaria verderop zat, wist zich lang onschuldig te houden. Hij kroop ’s nachts uit zijn bak, glibberde over de vloer, liet zich tussen de vissen glijden, at zijn buik vol, en kroop braaf terug in zijn eigen bak: alsof er niks gebeurd was. Niemand had het door. Zo bleef hij ontsnappen.
Inky was het juiste verhaal, op het juiste moment. “Octopus Breaks Free, Proves There Is Hope for Us All” kopte het Amerikaanse VICE online. In deze tijd snakken we naar positieve verhalen en kan zelfs een weekdier ons hoop bieden: van ondeugende inktvis tot een symbool van vrijheid. Zo. Nu mag je weer zappen.

deze blije inktvis koos het ruime sop
Gepubliceerd op 20 april 2016
© copyright "Leidsch Dagblad"